Hoofdstuk 1
'Hij had blauwe ogen, van die prachtige, helderblauwe ogen,' mompelde Yvonne van Straten, starend naar mijn visitekaartje dat ze verticaal geklemd hield tussen de duim en de wijsvinger van haar rechterhand.
Ik wachtte af wat ze zich nog meer herinnerde van haar zoon. Aan die ogen had ik niet veel. Alle baby's worden geboren met blauwe ogen, had ik wel eens gehoord. Maar het bleef stil, het enige geluid in het schemerige, smaakvol ingerichte appartement dat bijna de afmetingen had van de showroom waar ik vanochtend mijn lease-Golf had afgehaald, was het monotone suizen van de airco. Blijkbaar trof ik het niet. De intakegesprekken die ik tijdens de opleiding had geoefend waren altijd vlot verlopen maar nu, bij mijn eerste echte cliënt, leek het alsof ik te maken had met iemand die het liefst zo weinig mogelijk kwijt wilde. Als ze zich niet meer van haar verdwenen zoon wist te herinneren dan dat-ie mooie blauwe ogen had, werd het nog een lastig karwei om hem op te sporen.
Mevrouw Van Stratens starende ogen waren ook blauw. Ze had een vriendelijk, licht opgemaakt gezicht. Geen rimpels, maar dat kon te danken zijn aan een dure schoonheidssalon en een file van potjes met kostbare smeerseltjes op de toilettafel. Kort, donkerblond haar met drie zorgvuldig gebogen plukjes die haar voorhoofd iets lager deed lijken dan het was.
Ik vroeg me af hoe oud ze zou zijn. Achter in de veertig, zoiets.
De drukkende stilte maakte me nog onzekerder dan ik al was; ik voelde me al meteen niet op m'n gemak in dit prestigieuze appartementencomplex, waar ik me drie keer had moeten melden voordat ik mocht binnenkomen. Ik tikte een paar keer met mijn pen op mijn notitieblok, maar het hielp niets. Ze keek niet eens op.
Het had lang genoeg geduurd. 'Wat kunt u nog meer over hem vertellen?' vroeg ik zo lief mogelijk.
Het vriendelijke gezicht tegenover me verstrakte. Ze legde mijn kaartje op haar schoot, kneep haar handen in elkaar. 'Dertig jaar lang hebben die ogen mij aangestaard, telkens als ik terugdacht aan die vreselijke avond, als ik ervan droomde.' Terwijl ze heen en weer begon te schuiven over het leer van de lichtpaarse fauteuil die schokkerig meedraaide met haar bewegingen, perste mevrouw Van Straten haar rozerood gestifte lippen op elkaar. Ze liet haar hoofd zakken, klemde haar handen tegen haar wangen. 'Alsof ze zeiden: mama ik wil niet weg, ik wil bij jou blijven.' Haar stem trilde licht, haar vingers klemden zich vast om haar knieën in de witte, strakgespannen driekwart broek.
Blijkbaar was haar zoon al dertig jaar geleden verdwenen. Dat had ik niet verwacht toen Vic Maasland, de directeur van het Bosch Recherche Bureau, me mijn eerste opdracht gaf. Een vrouw is haar zoon uit het oog verloren en wil hem vinden. Ik had op een jonge man gerekend, of een weggelopen puber, niet op een dertig jaar geleden verdwenen baby. Dat was wel even wat anders. Vic wist waarschijnlijk ook niet dat het om een baby ging want hij vond het geen moeilijk karweitje. Een leuk opwarmertje voor het serieuze werk. Hij had één hand op mijn schouder gelegd en met de andere een papiertje omhooggehouden met het adres van de vrouw. Het gaat om een klant in Eindhoven, ze woont in een duur appartement in de Karpen, dat is de goudkust daar. Het zou niet slecht zijn als we onze activiteiten wat konden uitbreiden in die richting. Of hij Eindhoven bedoelde of de goudkust van die stad wist ik niet en ik had er ook niet naar gevraagd. Daarvoor had ik te veel aandacht gehad voor Vics hoofd dat wel erg dicht bij dat van mij was gekomen.
Ik keek naar mevrouw Van Stratens donkerblonde haar dat lichtjes op en neer schokte. Aan de kleur van haar witte wenkbrauwen te zien, was het geverfd. Gesnik hoorde ik gelukkig niet, maar het ongemakkelijke gevoel werd steeds sterker; ik wist niet goed wat te doen. Zo kon ik moeilijk vragen wat er toen gebeurd was. En dat zou ik toch moeten weten om met het onderzoek te kunnen beginnen.
Als je hem gevonden hebt, krijg je een vast contract bij het BRB, had Vic er nog aan toe gevoegd. Ik vroeg of ik een tweede kans zou krijgen als ik niet zou slagen voor dit toelatingsexamen. Natuurlijk slaag je wel, had Vic geantwoord terwijl zijn hoofd terugbewoog naar een meer neutrale stand, zo moeilijk is dit niet. Hij had even nagedacht, een paar seconden, toen was zijn geruststellende glimlach veranderd in twee streng getuite lippen. Maar mocht het onverhoopt toch niet lukken, tja, dan
De wijsvinger van de hand die net nog zo vertrouwelijk op m'n schouder had gelegen, had naar de deur gewezen.
Plotseling richtte mevrouw Van Straten haar hoofd op. Wel vochtige ogen, maar geen tranen. 'U móét ervoor zorgen dat u hem vindt. Het móét, hoort u.' Ze legde een hand op haar strakke groene bloes, tussen het laag uitgesneden decolleté en de grote gesp in haar zwarte riem die net zo blonk als de robijnen steentjes in haar armband en sloeg haar benen over elkaar. Mijn visitekaartje gleed van haar schoot, ze greep het met haar andere hand net voordat het op het vloerkleed dreigde te vallen. Ze hield het omhoog.
'Natuurlijk ga ik daarvoor zorgen,' zei ik, opgelucht dat mijn cliënte weer aanspreekbaar was. 'Laten we bij het begin beginnen, dertig jaar geleden dus. Hoe
'
'Moniek Heesels, rechercheur,' las ze hardop. 'U ziet er niet uit als een rechercheur.' Ze legde mijn kaartje op de lage glazen tafel tussen haar fauteuil en de lichtpaarse driezitsbank die ze met een uitnodigend gebaar had aangewezen toen ik binnenkwam. In haar decolleté verscheen een randje zwart kant. 'Ik had me een heel andere voorstelling van u gemaakt. Meer eh
Nou ja, u lijkt meer op een directiesecretaresse of zo.'
Ik had me niet erg opgemaakt. Het lichtblauwe rokje en het roze bloesje kwamen weliswaar niet van Zeeman, maar ik had ze ook niet bij een van de duurdere zaken in Den Bosch gekocht. Ik had ze aangetrokken vanwege de temperatuur want ik heb een hekel aan jeans als het warm is. Dure kleren kan ik me trouwens ook niet meer permitteren. Alle zogenaamd fatsoenlijke baantjes die mijn vroegere klanten mij aangeboden hebben betalen slechter dan wat ik gewend was. Deze ook.
'Als u denkt dat het succes van mijn zoektocht naar uw zoon afhankelijk is van de kleding die ik draag, dan zal ik daar voortaan rekening mee houden. Volgende keer trek ik wel een gerafelde spijkerbroek en een goedkoop T-shirtje aan, als u dat beter bij mijn werk vindt passen.'
Mevrouw Van Straten glimlachte, maar niet van harte. Ze richtte haar ogen op mijn rechtervoet die ongemerkt op het vloerkleed tikte. 'Hoe lang doet u dit werk eigenlijk al?'
Het leek me niet verstandig om te vertellen dat dit mijn eerste opdracht was. Om nog maar te zwijgen over dat toelatingsexamen waarover Vic het had gehad.
Ik bracht mijn voet onder controle en zei: 'Ik heb genoeg ervaring om uw zoon op te sporen, daar hoeft u niet bang voor te zijn, mevrouw.' Het klonk stoerder dan ik me voelde. Meer ervaring dan de twee maanden stage bij het eenmansbedrijfje waar Vic regelmatig een karweitje uitbesteedde had ik niet, maar dat kon mevrouw Van Straten maar beter niet weten.
Ik rolde de plakkende pen tussen mijn klamme vingers en klapte het notitieboekje open. 'Om uw zoon snel te vinden heb ik zoveel mogelijk aanknopingspunten nodig. Daarom is het belangrijk dat u mij vertelt hoe het destijds precies gegaan is. U had het over dertig jaar geleden. Wat is er toen gebeurd?'
Mevrouw Van Straten draaide haar gezicht iets opzij, keek langs me heen. Staarde naar de brede pui waar een ietwat transparante screen voor hing. Het balkon erachter was groter dan mijn hele flatje.
Wachtend op een antwoord dwaalde mijn blik door het appartement. Boven een lage notenhouten kast hing een groot, kleurig schilderij van een swingende vrouw met witte, wapperende haren, dat zacht verlicht werd door een in het plafond ingebouwd spotje. Aan het eind van de kast stond een eenzame foto in een zilveren lijst, niet van de verdwenen zoon maar van een oudere, kale man. Kon Van Straten zijn, dan was mevrouw waarschijnlijk weduwe. Op de muur erboven, op dezelfde hoogte als de swingende vrouw, had een ander schilderij gehangen; de stofranden rond de bleke rechthoek vormden de enige wanklank in de smaakvolle, enigszins steriele woonruimte. Tegen de lichtbeige muur aan de andere kant stond een hoge vitrinekast waarin allerlei Swarovski-figuurtjes schitterden onder felle halogeenspotjes. Een groot plat scherm was ernaast gemonteerd. In de geluidsinstallatie die eronder stond brandden een paar lampjes, maar er kwam geen geluid uit. Net zo min als uit mevrouw Van Straten.
Tijdens mijn werk bij La Dolce Vita, als ik bezig was om een dure klant te geven waar hij voor betaalde, had ik me wel eens afgevraagd hoe de bijbehorende vrouw eruit zou zien. En ook hoe ze woonde, hoe ze haar stekje had ingericht. Zo dus.
Het leek alsof mevrouw Van Straten in een soort trance verkeerde; haar hoofd bewoog niet, haar handen, die nu op de leuning van de fauteuil lagen, niet, haar benen en haar voeten niet. Als versteend zat ze in haar stoel, starend naar de pui alsof ze daar die prachtige helderblauwe ogen weer zag. Zo schoot het niet op. Wanneer een klant terughoudend is met het geven van informatie moet je proberen zijn vertrouwen te winnen, had ik geleerd tijdens de opleiding. Misschien was mijn vraag te direct geweest, had mevrouw Van Straten te veel moeite om met een vreemde te praten over wat ze die vreselijke avond had genoemd.
Ik stond op, liep om de bank heen en deed een paar passen in de richting van de pui. Mijn hakken tikten op de eikenhouten parketvloer. Door de screen vervormden de bloeiende bollen in de bloembakken op het terras tot onduidelijke rode en gele vlekken. Beneden weerkaatste het zonlicht op een grote vijverpartij waarin een fontein een metershoge waterboog omhoogspoot.
Net toen ik wat wilde zeggen over het mooie uitzicht, hoorde ik mevrouw Van Straten iets mompelen. Vierentwintig, of zoiets. Haastig draaide ik me om en ging terug naar de bank.
'Vierentwintig, zei u?'
'Zo oud was ik toen het gebeurde.'
Dan was ze nu vierenvijftig. Ik zou er direct voor willen tekenen als ik er over twintig jaar net zo uitzie. Hoewel je uiteindelijk de aftakeling toch niet voor blijft, dat had ik al gemerkt in mijn vorige baan toen bleek dat ik niet meer zo vanzelfsprekend de eerste keus was voor een deel van mijn vaste klantenkring. Nu bood Vic me de kans om eruit te stappen, net op tijd, daar raakte ik steeds meer van overtuigd en die kans moest ik grijpen, die mocht ik niet verprutsen. Koste wat kost moest ik die zoon vinden.
'U was vierentwintig toen u uw kind hebt afgestaan.'
Met een plotselinge, schuddende beweging van haar schouders schoof mevrouw Van Straten rechtop, alsof ze het koud had. Ze drukte haar ellebogen op de leuning van haar fauteuil, vouwde haar hevig trillende handen stijf in elkaar en duwde ze in haar schoot.
Ik schrok. Zo vreemd was mijn conclusie toch niet; ik had alleen maar bevestigd wat ze zelf gezegd had. En koud was het ook niet, zo laag stond de airco niet. Waarom reageerde ze dan zo merkwaardig?
'Afgestaan?' Mevrouw Van Straten probeerde een glimlachje, maar het leek nergens op, het had meer weg van een ongecontroleerde grimas. 'Zo zou je het kunnen noemen, ja,' zei ze, nog steeds naar de pui starend. Mooie ogen, maar uitdrukkingsloos. Leeg.
Ze schudde een paar keer krachtig met haar hoofd. 'Uiteindelijk heb ik erin toegestemd om, zoals u het noemt, mijn kind af te staan. Meteen al, bij de geboorte.' Ze zuchtte diep.
'Wilde de vader dat?'
Even flikkerden haar ogen op, alsof ze zich het moment herinnerde waarop hij haar had verteld dat ze zijn kind niet kon houden, toen staarde ze weer voor zich uit.
Ik wachtte, begon eraan te wennen dat er geen antwoord kwam.
Na een tijdje kwam er toch iets al was het geen antwoord op mijn vraag. Ze keek me recht aan. Koele ogen waaruit alle verdriet verdwenen was. 'Waarom ik het heb gedaan, is voor u niet van belang. U moet hem vinden, dat is het enige.'
Ze had zich weer onder controle. De directrice die even laat weten wat de plaats van de secretaresse is. Maar ik schoot er niks mee op. Ik wilde wel iets meer weten over de vader en overwoog of verder aandringen zin had. Ik dacht het niet.
'Wanneer is uw zoon precies geboren?'
'Gelukkig vraagt u niet of ik nog wéét wanneer mijn zoon geboren is. 12 oktober, '77.'
Ik verbaasde me over de felle reactie. Noteerde de datum.
'Hebt u wel eens bij de burgerlijke stand geïnformeerd welke geboorten er omstreeks die datum aangegeven zijn?'
'Nee. Misschien moet u dat maar eens doen.'
'Goed, ik begrijp dat u niets wilt zeggen over de reden waarom u uw zoon afgestaan hebt, maar wilt u wel vertellen hoe het destijds precies gegaan is? Zoals ik al zei, dat geeft mij misschien enkele aanknopingspunten.'
'Er zijn geen aanknopingspunten. Het kind is geboren, ik heb het even vastgehouden, toen is het meteen meegenomen. Ik heb het niet eens een naam kunnen geven. Waar het naartoe gebracht is, weet ik niet, anders had ik natuurlijk ook geen detectivebureau nodig. Dan had ik het zelf wel kunnen uitzoeken.'
'En u weet niet wie de baby meegenomen heeft?'
'Alleen wie het geregeld heeft.'
Ik nam aan dat ik de logische vraag niet hoefde te stellen, dat mevrouw Van Straten uit zichzelf zou onthullen wie dat dan wel geweest was. Maar dat deed ze niet. Alles moest ik uit haar trekken. Dan waren mijn mannelijke klanten van vroeger toch heel wat mededeelzamer geweest; sommigen hadden zelfs een soort psycholoog in mij gezien met wie ze al hun zorgen konden bespreken. Als extra service kregen ze dan de behandeling waarnaar ze zo vurig verlangden en die ze de problemen voor even deed vergeten.
'En wie heeft het geregeld?'
'Vlemminx. Kent u hem?'
Natuurlijk had ik weleens van Vlemminx gehoord, welke Bosschenaar niet? Regelmatig stond er iets in de krant over hem of over een van zijn zonen of medewerkers en meestal waren dat niet de meest vrolijke berichten. Afpersingen, bedreigingen, daarmee scheen hij zijn bedrijf opgebouwd te hebben. Maar wat had de keurige mevrouw Van Straten daarmee te maken?
'De horecatycoon van Den Bosch, bedoelt u die?'
'Is het misschien toevallig een bekende van jullie bureau?'
'Meer van de politie, lijkt me. Maar misschien wilt u iets vertellen over uw relatie met Vlemminx. Waarom heeft hij zich met u en uw kind bemoeid? Is hij misschien de vader?'
Ze produceerde een schamper lachje. Schudde haar hoofd. 'Ik werkte destijds voor hem.'
'U werkte voor hem?' Het kostte enige moeite om een opkomend glimlachje weg te drukken. 'Straks zei u nog dat ik niet op een rechercheur lijk, maar, eerlijk gezegd, u lijkt me ook niet iemand die voor een boef als Vlemminx wil werken.'
'Toen was het geen boef. Nog niet. Voor zover ik weet waren zijn zaken destijds volkomen legaal. Ik ben een tijdje zijn secretaresse geweest en daarom herkende ik het soort kleren dat u nu draagt.'
'Goed. U raakte in verwachting en hij vond dat uw kind moest verdwijnen. Dat u het zelf niet mocht houden. Waarom in godsnaam? Het is wel dertig jaar geleden, maar ik neem aan dat het toen toch ook niet normaal was dat de baas kon beslissen wat er met het kind van zijn secretaresse moest gebeuren?'
'Ik wil er verder niet op ingaan.'
Erg meewerken deed ze niet. Ik schreef Vlemminx in mijn notitieboekje zodat ik het niet helemaal voor niks meegenomen had en vroeg me intussen af of hij misschien toch de vader zou kunnen zijn. Ze had wel schamper gelachen en heftig nee geschud, maar ze had de vraag kunnen verwachten en de reactie hebben ingestudeerd. Het kon natuurlijk ook de vent van de foto op de kast zijn. Ik twijfelde, had het kunnen vragen, maar daar zou mevrouw toch wel niet op willen ingaan. Het was ook niet logisch, welke moeder zet er nu een foto in de kamer van een vader die wilde dat hun kind moest verdwijnen?
'U kunt vanzelfsprekend proberen iets van Vlemminx te weten te komen,' zei mevrouw Van Straten plotseling zo maar uit zichzelf, 'maar dat gaat u toch niet lukken. Integendeel, ik zou u aanraden hem niet te benaderen want dat kon weleens slecht voor u aflopen.'
Ik knikte en veegde een haarlokje achter mijn oor. Fijn dat ze zo bezorgd was. Ik ging er niet op in, ik kon zelf wel beslissen hoe ik deze zaak ging aanpakken. Eerst maar eens kijken wat er op kantoor bekend was over Vlemminx.
'En abortus, dat hebt u niet overwogen?'
Haar nee klonk beslist. Fel, alsof ze reageerde op een suggestie die Vlemminx of de vader destijds ook al hadden gedaan.
'U zei dat uw zoon meteen na de bevalling is meegenomen. Waar heeft de bevalling plaatsgevonden?
'In een vakantiehuisje in de omgeving van Boxtel.'
Voor mijn ogen flitsten een paar akelige beelden van een schuur met een gekidnapt meisje. Het begon erop te lijken dat alle criminelen uit Den Bosch iets met Boxtel hadden.
Ik vroeg hoe lang ze in dat vakantiehuisje gezeten had.
'Enige tijd voor de bevalling tot ruim een week erna.'
'En u zat daar helemaal alleen?'
'Tja, de vader was er niet bij, als u dat bedoelt.' Opnieuw dat schampere lachje. 'Ik had een auto, dus ik kon alles in huis halen en overal naartoe gaan. Ik winkelde in Eindhoven, zo heb ik deze stad leren kennen.' Ze maakte een weids gebaar in de richting van de pui.
'Wie waren er bij de bevalling aanwezig?'
'Vlemminx had voor een vroedvrouw gezorgd, een zekere Sandra. Vierentwintig was ze toen, net zo oud als ik.' Even leek het alsof ze ergens over nadacht. 'Haar achternaam heb ik nooit gehoord.'
Ik noteerde Sandra??.
Toen ik opkeek zag ik dat de handen van mevrouw Van Straten weer begonnen te trillen. Ze duwde ze tegen haar buik alsof ze plotseling kramp in haar darmen kreeg. Tegelijkertijd trok ze haar schouders op om haar heftig schuddende hoofd in bedwang te houden. Ik wilde opstaan, naar haar toegaan, vragen of ik iets kon doen. Glaasje water halen of zo. Maar voor ik stond, was het al voorbij.
Ze legde haar handen op de leuning van haar stoel en zei: 'U hebt u natuurlijk al afgevraagd waarom ik na dertig jaar ineens behoefte heb om mijn zoon te leren kennen.' Haar lippen vormden een verstrakt glimlachje. 'Nou dit is de reden. Een paar maanden geleden is vastgesteld dat ik Chorea van Huntington heb. Een erfelijke aandoening van het zenuwstelsel.'
Jezus, een aandoening van het zenuwstelsel. Dat zou toch niet betekenen dat zo'n mooie vrouw van vierenvijftig helemaal zou aftakelen? In een rolstoel zou belanden? Ik kon het me niet voorstellen; ik wist zo gauw niet wat te zeggen.
'Is het net zo erg als multiple sclerose?' vroeg ik ten slotte. 'Of is er een behandeling voor? Medicijnen of zo?'
'Alleen om de klachten iets te verzachten, niet om het verloop van de ziekte te beïnvloeden. De ongecontroleerde bewegingen zullen steeds erger worden. En waarschijnlijk zal het ook niet lang meer duren voor ik dement word. Huntington is een sluipmoordenaar die vroeger of later alle hersenfuncties vernietigt.'
Dus toch een rolstoel. Dementie. Verzorgingstehuis. Wachten op de dood. Dan had je wel veel geld, maar wat schoot je ermee op? Voor het zover was, voordat ze niet meer aanspreekbaar zou zijn, wilde ze haar zoon zien. Hem vertellen waarom ze hem niet gehouden had. Straks, als ze dement zou zijn, kon het niet meer. Het zal niet lang meer duren, had ze gezegd. Hoeveel tijd was er nog om de zoon te vinden? Ik durfde het niet te vragen. Maar dat ik moest opschieten was wel zeker.
Onwillekeurig voelde ik de neiging om op te staan en een arm om Yvonne heen te slaan. Ik schoof iets naar voren, maar deed het niet. Mevrouw Van Straten was er de vrouw niet naar, ze was niet het type dat graag zielig gevonden wil worden. Ze leek niet iemand die zat te wachten op het medeleven van een twintig jaar jongere vrouw die ze niet kende.
'Wat vreselijk.' Origineel was het niet, maar ik wist niets beters.
'Ik heb me er bij neergelegd.'
Met meer vertrouwen dan ik had zei ik dat ik niet verwachtte dat het lang zou duren voor ik de zoon zou hebben gevonden; dat ik in ieder geval mijn uiterste best zou doen om de zaak zo snel mogelijk op te lossen. En dat het zou helpen als ik zoveel mogelijk informatie kreeg.
Maar daar ging mevrouw Van Straten niet op in. 'Ik verwacht niet anders dan dat u uw best doet,' zei ze, 'daar betaal ik u voor, dacht ik zo.'
Ik knikte. 'U zei dat de ziekte erfelijk is. Betekent dat
'
'Dominant erfelijk zelfs. Hetgeen betekent dat de helft van eventuele kinderen het ook zal krijgen.'
'Dan heeft uw zoon dus vijftig procent
.'
'Ik heb er lang over nagedacht. Moet ik hem laten opsporen om het hem te laten weten? Of is het beter dat hij van niets weet? Ik heb voor het eerste gekozen omdat het grote gevolgen heeft voor belangrijke beslissingen. Denk aan het nemen van kinderen, bijvoorbeeld.'
'Ik begrijp het.' Het belang om de zoon te vinden werd steeds groter. Een opwarmertje, had Vic mijn eerste opdracht genoemd. Een moeder met wroeging die haar kind zoekt, zoals in dat programma op tv, had hij gedacht. Maar zo was het niet, hier stond heel wat meer op het spel. Ik kon maar het best zo snel mogelijk beginnen, veel meer informatie kreeg ik hier toch niet. Hoewel
Hoe meer je over je klant weet, hoe beter je je werk kunt doen, hadden de praktijkmensen van de opleiding telkens weer benadrukt. Veel wist ik nog niet over mevrouw Van Straten. Natuurlijk zou Joke, die de deskresearch deed bij het BRB, wel het een en ander kunnen uitzoeken, maar het was beter om zoveel mogelijk informatie uit de eerste hand te krijgen. En, eerlijk gezegd, was ik ook wel een beetje nieuwsgierig hoe mevrouw Van Straten aan het geld was gekomen om zo duur te gaan wonen. Dat had ze vast niet verdiend met secretaressetje spelen bij Vlemminx.
'U zei dat u secretaresse bij Vlemminx bent geweest.' Ik spreidde mijn armen in de richting van het schilderij en het plasmascherm. 'Maar als ik dit zie
'
'U vraagt zich af hoe ik aan het geld gekomen ben. Nou daar is niets geheimzinnigs aan. Bovendien zou u daar toch wel achtergekomen zijn.'
'Ongetwijfeld,' zei ik om haar wat aan te moedigen.
Maar dat had ze niet nodig. Ze vertelde dat ze na de bevalling zo snel mogelijk weg had gewild bij Vlemminx en toen ze een mooie baan kreeg aangeboden bij een groot bouwbedrijf in Rosmalen, had ze die kans met beide handen gegrepen.
'Daar heb ik de man ontmoet met wie ik later getrouwd ben.' Ze wees naar de foto op de kast. 'Jos had een bloeiend installatiebedrijf hier in Eindhoven. Een paar jaar geleden is het opgekocht door die bouwonderneming in Rosmalen. Toen dit appartement vrijkwam hebben we het gekocht. Nog geen jaar later is Jos overleden.'
Ik keek opzij naar de foto. 'Zonde dat hij er maar zo kort van heeft kunnen genieten.'
'Ja,' zei mevrouw Van Straten.
'Wist uw man van het bestaan van uw zoon?'
Ze schudde haar hoofd. 'Nee.' Het klonk als een snauw.
'Ik heb nog één vraagje,' zei ik terwijl ik omhoog kwam. 'Hebt u nog meer kinderen?'
Starend naar de foto bewoog mevrouw Van Straten haar hoofd een paar seconden heen en weer. Betekende dit nee of bewoog haar hoofd nog na van daarnet?
Plotseling draaide ze haar gezicht naar mij. 'Ik neem aan dat u mij op de hoogte houdt van het verloop van uw onderzoek. Ik reken op uw volledige inzet om mijn zoon zo snel mogelijk te vinden, want de tijd dringt, dat zult u wel begrepen hebben.'
Ik zei nog eens dat ik mijn best zou doen, gaf haar een hand en vertrok. Blij met mijn eerste opdracht. Het begin van een ander, nieuw leven met een normale baan waar niet op neergekeken werd. Ik twijfelde er geen moment aan dat ik zou slagen; niets of niemand zou me nog kunnen tegenhouden om de zoon van mevrouw Van Straten op te sporen. Zelfs Vlemminx niet.
terug naar de top